Zoeken
Econsultancy homepagee
Nederlandse versie   Deutsche Version   English version

Nieuwe aanpak bodemsanering beschermt ondernemer beter

In de nieuwe Wet Bodembescherming komt een betere aanpak van verontreinigd gebied. Volgens het nieuwe wetsvoorstel krijgen Gedeputeerde Staten (GS) de mogelijkheid om een gebied aan te wijzen voor een gerichte aanpak: gericht op de sanering van verschillende verontreinigingen van het diepere grondwater. Hiervoor moeten GS (zij kunnen dit ook overlaten aan een ander bestuursorgaan) een plan van aanpak vaststellen. Het bestuursorgaan neemt de saneringsverplichtingen over van bedrijven nadat deze een afkoopsom hebben betaald. Deelname aan een gebiedsgerichte aanpak is voor bedrijven vrijwillig.

De aanpak ‘per geval’ bleek in de praktijk niet goed te werken. Vaak is met moeite vast te stellen wat een geval van ernstige verontreiniging is en welk bedrijf voor welke verontreiniging kan worden aangesproken. Ook bleek de aanpak niet altijd doelmatig of het meest kosteneffectief.

MKB-Nederland en VNO-NCW hebben er met succes op aangedrongen dat bij deze nieuwe aanpak de reeds verkregen rechten van bedrijven die niet meedoen, gerespecteerd worden. Tweede Kamerleden Leegte (VVD) en Holtackers (CDA) dienden hierover een amendement in, waarvan staatssecretaris Atsma toegezegd heeft deze in de wet op te nemen. Het amendement garandeert dat bedrijven door de overheid niet kunnen worden aangesproken om een verontreinigd gebied, dat onder hun grond terecht is gekomen doordat nabijgelegen bedrijven zich aan sanering onttrekken, op te ruimen.

De werkgevers zijn positief over de nieuwe wet, omdat er sprake is van een effectieve saneringsaanpak met één aanspreekpunt, één uitvoerder, minder juridische zorgen en goedkopere saneringskosten, terwijl de aanpak voor ondernemers vrijwillig is en reeds verkregen rechten bij bedrijven worden gerespecteerd. 

Lees verder >

Nederland niet op slot door bescherming van soorten en habitats

De natuurwetgeving is ecologisch effectief omdat de aanwezigheid van kwetsbare, beschermde soorten en gebieden wordt meegewogen in de vergunning- of ontheffingsaanvraag bij activiteiten als nieuwbouw, het slopen van gebouwen of het kappen van bomen. Nederland gaat niet op slot door de bescherming van soorten en habitats. Slechts bij een klein deel van de vergunning- en ontheffingsaanvragen kan het project of de activiteit niet doorgaan vanwege ontoelaatbare effecten. Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op grond van een onderzoek op verzoek van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I). 

De huidige natuurwetgeving, dat wil zeggen de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet, beschermt kwetsbare soorten, habitats en gebieden door hun behoefte aan bescherming af te wegen tegen het maatschappelijk belang van onder andere werkzaamheden en projecten. Daarmee geeft de wetgeving een afwegingskader voor de inherente spanning tussen natuur en maatschappelijk belang. In antwoord op twee moties van de Tweede Kamer in december 2008, heeft het ministerie van EL&I het PBL gevraag de ecologische effectiviteit van de huidige natuurwetgeving te onderzoeken. Het rapport wordt meegenomen als input voor de nieuwe Natuurwet.

Conclusies
Overheidsinstanties laten de bescherming van kwetsbare soorten en natuurgebieden meewegen bij vergunning- en ontheffingaanvragen voor maatschappelijke activiteiten. Vooral daardoor is de ecologische effectiviteit van de natuurwetgeving gewaarborgd. Het levert weliswaar spanning op, maar zelden worden activiteiten verboden. Voor het vinden van een balans tussen bescherming en uitvoering past het bevoegd gezag vooral maatregelen toe die schade voorkómen en maatregelen om het leefgebied elders te herstellen via compenserende maatregelen.

Zwakke punten in de natuurwetgeving vormen de naleving van compenserende en mitigerende maatregelen en van de voorwaarden in de gedragscodes. Compenserende en mitigerende maatregelen worden regelmatig onvoldoende en niet op tijd uitgevoerd. Bij gedragscodes worden niet altijd de afgesproken aanvangsgegevens verzameld en laat de bescherming van beschermde soorten bij de uitvoering van werkprotocollen te wensen over. Daarnaast worden beschermde soorten die extra kwetsbaar zijn omdat zij in een ongunstige staat van instandhouding verkeren en een dalende trend in hun populatie vertonen, niet extra ontzien in termen van het aantal compenserende en mitigerende maatregelen. Hun ongunstiger wordende staat van instandhouding vraagt daar, ook wettelijk gezien, wel om.

Door de complexe ecologische relaties tussen dieren, planten en hun habitats is de natuurwetgeving gebaat bij evaluaties en monitoring. Op die manier kan het bevoegd gezag leren van de toepassing en zo de ecologische effectiviteit verbeteren. De huidige natuurwetten stimuleren dit leren onvoldoende, onder andere omdat ecologische veranderingen nauwelijks worden gemonitord. Met de voortgaande decentralisatie komen de gegevens meer en meer bij de twaalf provincies te liggen, en zonder regie komen deze gegevens landelijk mogelijk moeilijk beschikbaar. Een risico van decentralisatie is bovendien dat de provincies de op rijksniveau aanwezige kennis niet ten volle benutten.

Zie voor meer informatie het rapport Ecologische effectiviteit van natuurwetgeving op de site van het PBL.



Lees verder >

Werkzaamheden stuitten op smalspoor Swalmen

Vorige week zijn de reconstructiewerkzaamheden ter plaatse van de Rijksweg in Swalmen voortgezet. De werkzaamheden worden uitgevoerd door Heijmans, in opdracht van de gemeente Roermond. Het gehele werkgebied betreft de Rijksweg vanaf het viaduct over de A73 (zuidzijde werk) tot aan de gemeentegrens met Beesel ter hoogte van de kruising met de grensweg (noordzijde werk). De werkzaamheden bestaan uit de vernieuwing en verbetering van wegen, riolering en het openbaar groen.


Lees verder >

Rijksoverheid zoekt naar eenvoudige regels natuurcompensatie

Natuurcompensatie is verplicht vanuit beleid en wetgeving, maar daarbij doen zich in de praktijk regelmatig knelpunten voor. De rijksoverheid zou de regelgeving graag vereenvoudigen door voor de compensatieregeling in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) het nabijheidsbeginsel en het 1-op-1 beginsel te schrappen. Uitgangspunt bij compensatie blijft wel dat er netto geen verlies aan natuurwaarden mag zijn. Alterra komt in de literatuur geen rekenregels tegen die 100% waarborg biedt dat compensatie bij het loslaten van 1-op-1 beginsel niet tot verlies van waarde leidt. 

Natuurcompensatie is verplicht vanuit beleid en wetgeving. In de praktijk loopt men aan tegen knelpunten in regelgeving en uitvoering. Een interdepartementale Stuurgroep Natuurcompensatie werkt aan een verbeterde werking van het compensatiebeginsel. Daarvoor is twee maal onderzoek uitgezet bij Alterra. De eerste opdracht was het in beeld brengen van knelpunten en kansen natuurcompensatie op basis van een literatuurstudie. De tweede opdracht was gericht op het achterhalen van rekenregels voor natuurcompensatie. Opdracht was om te onderzoeken of er methodieken zijn die geen netto verlies aan natuurwaarden kunnen vaststellen. 

De literatuuranalyse van kansen en knelpunten toont aan dat de uitvoering van het compensatiebeginsel niet altijd goed verloopt en in de praktijk onvoldoende is. De knelpunten ontstaan door:

  • Ingewikkelde wet- en regelgeving rond eisen en over taken en bevoegdheden van betrokkenen.
  • Moeilijkheden bij het vinden van een geschikte locatie.
  • Onvoldoende kennis voor vaststellen mate van aantasting en ecologische onderbouwing compensatieplan.
  • Ontbreken van registratie en handhaving bij compensatieprojecten.
  • Timing van de compensatie. Dit geldt vooral voor compensatie in het kader van Natura 2000.

In diezelfde literatuurbronnen worden als oplossing de volgende zaken genoemd:

  • Opzetten van registratieprojecten waardoor duidelijk wordt waar, hoeveel, welke natuur wordt gecompenseerd.
  • Sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst waardoor afspraken over uitvoering en financiering juridisch bindend worden vastgelegd.
  • Opzetten van landelijke of regionale compensatiebanken waardoor compensatie sneller kan plaatsvinden.
  • Instellen van een Compensatie autoriteit, als onafhankelijk adviesorgaan dat toezicht houdt op het hele proces van compensatieaanvragen en uitvoering.

Een oplossing die vanuit de rijksoverheid wordt overwogen is het vereenvoudigen van de regelgeving. Voor de compensatieregeling in de Ecologische Hoofdstructuur wil men het nabijheidsbeginsel en het 1-op-1 beginsel schrappen. Het nabijheidsbeginsel gaat uit van compensatie van nieuwe natuur in de nabijheid van de locatie van de ingreep. Het 1-op-1 beginsel verwijst naar compensatie waarbij de nieuwe natuur gelijkwaardig is aan de verloren gegane natuur. Uitgangspunt bij compensatie blijft wel dat er netto geen verlies aan natuurwaarden mag zijn.

Er zijn volgens Alterra diverse ecologische rekenregels die toegepast kunnen worden in compensatieregelingen. Kansen worden gezien in het loslaten van het nabijheidsbeginsel, binnen de vrijheidsgraad van bijvoorbeeld een regio of landschappelijke eenheid. Het loslaten van het 1-op-1 beginsel leidt tot grotere risico’s voor de natuur, maar kan bij wetenschappelijk vastgestelde en maatschappelijke geaccepteerde vervangingsreeksen, gebaseerd op het 'upgraden' van natuur wel mogelijk zijn. Geen enkele regel biedt echter 100% waarborg dat compensatie bij het loslaten van 1-op-1 beginsel niet tot verlies van waarde leidt.

Het rapport Natuurcompensatie. Kansen, knelpunten en rekenregels is te vinden op de website van Alterra.
bron: Alterra - Wageningen UR


Lees verder >

Soortenstandaard ontheffing Flora en Faunawet ruimtelijk ingrepen

Natuur en bedrijvigheid kunnen goed samengaan. Alleen is het belangrijk om op tijd te onderzoeken of activiteiten schade veroorzaken aan een beschermde soort. Op 8 december presenteerden Dienst Regelingen (DR) en Dienst Landelijk Gebied (DLG) de eerste 6 soortenstandaarden. De soortenstandaard bevat ecologische maatregelen die een aanvrager kan nemen als hij bijvoorbeeld gaat bouwen of slopen en er beschermde soorten aanwezig zijn. 

Onder voorwaarden verstrekt DR bij ruimtelijke ingrepen een ontheffing van de Flora en Faunawet. Bij de beoordeelding van een aanvraag wordt DLG om ecologisch advies gevraagd. Tijdige maatregelen voorkomen schade aan beschermde soorten, maar vooral ook vertraging van een project zonder juiste ontheffing. Daarom is er behoefte aan informatie onder welke voorwaarden ontheffing mogelijk is. Als duidelijk is welke voorwaarden gesteld worden, kan de aanvrager hier al in een vroeg stadium rekening mee houden. Deze informatie staat in een soortenstandaard. Een soortenstandaard bevat een aantal kenmerkende ecologische aspecten van een soort en een set basis- of standaardmaatregelen. 

Totstandkoming
In opdracht van Directie Natuur, Landschap & Platteland van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw & Innovatie hebben DR en DLG eerst voor de meest voorkomende soorten waar ontheffing voor wordt aangevraagd, een soortenstandaard gemaakt. Dit in combinatie met de meest voorkomende ingrepen zoals bouwen, slopen en baggeren. Bij de - door DLG gecoördineerde - ontwikkeling van de soortenstandaards is gebruik gemaakt van verschillende ecologische en juridische deskundigen. Ook zijn, afhankelijk van de soort, particuliere gegevensorganisaties geconsulteerd. 

De eerste zes soortenstandaarden die op 8 december zijn gepresenteerd: Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Grote modderkruiper, Rugstreeppad, Kamsalamander en Heikikker. Nog dit jaar volgen de Gewone Dwergvleermuis, Ruige Dwergvleermuis, Gewone Grootoorvleermuis, Zandhagedis, Levendbarende Hagedis, Huismus, Buizerd en Gierzwaluw. 

De eerste 6 soortenstandaarden zijn te vinden op de site Het DR-Loket.


Lees verder >
Archief ›

ECO Update

Wilt u de ECO Update per post ontvangen? Meld u dan hier aan.

Klik hier voor de laatste ECO Update 19.
Twitter

Twitter

Twitter word geladen..