Zoeken
Econsultancy homepagee
Nederlandse versie   Deutsche Version   English version
Milieu & Ruimte > Projecten > Landschappelijke inpassing in Loerbeek

Landschappelijke inpassing in Loerbeek

Vanwege een geplande verandering van de bebouwing van een perceel in Loerbeek in de gemeente Montferland is een landschappelijk inpassingplan geschreven. De locatie betrof een perceel dat bebouwd is met een woonboerderij, een garage, een veldschuur en een aantal (grootschalige) varkensschuren.

Literatuurstudie
Volgens de geomorfologische kaart is het gebied gelegen op een dekzandruggen, met een oud bouwlanddek. Vervolgens is er gekeken naar de omgeving van de locatie dat al sinds lange tijd in agrarisch gebruik is (heideontginningenlandschap). Het gebied is gelegen tussen het “Kildersche Veld” en het “Beekse Broek”. Volgens de Grote Historische Atlas van Nederland, deel 3 "Oost Nederland 1830-1855", kaartblad 41, 1990 (schaal 1:50.000), alsmede kaartmateriaal daterend uit het begin van de vorige eeuw, bestond de locatie, alsmede de omgeving ervan, destijds uit agrarische-, heide- en bospercelen. Volgens kaartmateriaal daterend uit het begin van de vorige eeuw was de locatie tot circa 1931 niet bebouwd en bestond geheel uit bos. Hierna is de locatie bebouwd geraakt met een boerderij. De locatie is na circa 1966 verder bebouwd met een veldschuur en enkele stallen. Na 1986 zijn diverse varkensstallen bijgebouwd.

Ten behoeve van het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeenten Doe­tinchem, Montferland en Oude IJsselstreek (LOP). De locatie maakt volgens het LOP deel uit van het gebied dat aangeduid wordt met ”de ring van broekgebieden” en valt binnen de zone “natte zandontginningen”. Deze zone kent van oudsher elzensingels en op de meer drogere delen meidoornhagen. Van groot belang is de ecologische verbindingszone (passagemogelijkheden).In het gebied is verdichting met landschapselementen mogelijk.

Locatiebezoek

Na de literatuurstudie is er een locatiebezoek uitgevoerd die gericht was op de inventarisatie van bestaande landschappelijke waarden en de inventarisatie van begroeiing die landschappelijk als niet passend kunnen worden beoordeeld. Tijdens het locatiebezoek is ook gebleken dat het maaiveld ter plaatse van de locatie redelijk vlak is en dat er geen sprake van is natuurlijk reliëf binnen het plangebied. De noordzijde van het perceel en de oprit naar het erf worden begeleid door een ligusterhaag. De perceelsgrens wordt aan de zuidwestelijke zijde geflankeerd door een sloot. Tijdens het locatiebezoek is ook een grondboring verricht. Op basis van de grondsoort, de grondwaterstand en de verwachte luchtkwaliteit zijn er weinig beperkingen aangaande de keuze van plantmateriaal.
Rondom en op de locatie zijn diverse fruitbomen aanwezig. Daarnaast zijn bomen aanwezig als ruwe berk, spaanse aak, europese vogelkers, italiaanse populier en treurwilg. Op de perceelsgrens (westzijde van het perceel) staat meer autochtone begroeiing zoals zomereik, hazelaar, meidoorn en schietwilg (geknot). Op de planlocatie zijn geen elementen gevonden die gecamoufleerd zouden moeten worden door beplanting om zo een rustiger totaalbeeld te creëren. Er is rekening gehouden met zicht vanuit de toekomstige woningen naar het (open) veld, door solitairen toe te passen. Hierdoor blijft het uitzicht naar de omgeving bestaan, ondanks een jaarlijks toenemend volume aan “groen”. Met betrekking tot schaduw van nieuw aan te planten (hoge) bomen, wordt in de toekomstige situatie weinig tot geen hinder verwacht.

Wensen initiatiefnemer
Naast de input van de beleidsstukken en de historie/huidige situatie is een belangrijk onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan de wensen van de opdrachtgever. Uit overleg met de opdrachtgever is bijvoorbeeld gebleken dat een haag aan de oostzijde van de oprit niet gewenst was. Om de omliggende landbouwpercelen zo veel mogelijk betrekken in het landschappelijk inpassingsplan, is de initiatiefnemer bereid het akkerland ten westen van het woonhuis als grasland te gaan exploiteren. Dit om een mooiere aansluiting te krijgen met de overige percelen.


De aan de westzijde van het perceel aanwezige bomen, zoals de zomereiken, knotwilg en de euramerikaanse populier konden gehandhaafd blijven. Ook de treurwilg kan gehandhaafd blijven, omdat deze na de realisatie van de plannen dicht bij de toekomstige woning staat, waardoor deze als tuinelement kan worden gezien.

Uiteindelijk heeft dit alles geleidt tot de volgende doelstellingen van het inpassingsplan:
  • het accentueren van de toekomstige begrenzingen van het bouwblok  door hagen;
  • het erf de uitstraling gaven van één ruimtelijke eenheid, en tevens het creëren en behouden van voldoende zicht naar de omgeving;
  • het aankleden van het erf met enkele walnoten, als overgang tussen bebouwing en bosschage;
  • het invulling geven aan de EVZ waarin de locatie is gelegen, door een bosschage te realiseren met de nodige beschutting;
  • het in ere herstellen van de sloot aan de westzijde van het perceel en het wijzigen van het gebruik van het perceel ten westen van de locatie.
Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in een uitgewerkt landschappelijke inpassingsplan.


< Terug

ECO Update

Wilt u de ECO Update per post ontvangen? Meld u dan hier aan.

Klik hier voor de laatste ECO Update 19.
Twitter

Twitter

Twitter word geladen..